Eise Eisinga en het afgezaagde krukje

Eens op een avond geeft Eise achter zijn huis college. Als hij even wegloopt om iets te halen, zagen de studenten snel een klein stukje van de poten van zijn kruk af..

Eise Eisinga (1744-1828) werkt zeven jaar aan zijn planetarium. In 1781 is het eindelijk af. Professor Van Swinden van de Franeker academie is zó enthousiast, dat hij een boek over het planetarium schrijft. Ook bezoekt hij het planetarium regelmatig met studenten.

Franeker, juni 1797

Het is een mooie juni-avond in 1797. In De Bogt fen Guné zit een vijftal studenten bijeen. Ze maken zich op voor een nachtelijk college van Eise Eisinga. Zoals gebruikelijk, zal hij achter zijn woning op het bolwerk sterrenkunde doceren.

Student Laverman heeft kennelijk haast: ‘Drink eens door man! We moeten er al bijna zijn.’ Maar zijn kameraden denken daar anders over: ‘Kerel, waar heb je het over?’ lacht De Moll. ‘De zon is nog niet eens onder!’ Van Binsbergen valt hem bij: ‘Ja! Er is immers nog niets te zien … Kastelein, nog vijf bier!’

Blijkbaar is de hemel gestegen. Of anders is de aarde gedaald …

Terwijl de kroegbaas de kroezen op tafel zet, gaat het gesprek verder over het komende college. De Moll merkt op: ‘Als we nu al bij Eisinga aankloppen, moeten we natuurlijk eerst weer mee naar binnen…’ Bieruma voelt hier niets voor: ‘Ik ga liever gelijk naar het bolwerk. Dat planetenstelsel van hem, dat ken ik nou wel. Wat is daar trouwens zo bijzonder aan? Ja, het loopt op tijd. Nou én? Dat kan iedere klokkenmaker!’

‘Maar,’ probeert Laverman nog. ‘Eisinga zei dat we er om tien uur moesten zijn!’ – ‘Dat is alleen maar omdat hij niet weet wat een academisch kwartiertje is,’ merkt De Moll schamper op. ‘De man is zelf immers nooit student geweest!’ Hilarius is het hier roerend mee eens: ‘En alles wat hij vertelt heeft hij trouwens gewoon uit boeken. Nog nooit heeft hij een eigen ontdekking gedaan!’

Deze laatste opmerking brengt De Moll op een idee: ‘Ik weet wat! Laten we Eisinga eens helpen een échte ontdekking te doen. We zagen een stukje van zijn stoelpoten af. En dan kijken we of hij het merkt!’ Zelfs Laverman vindt dit een goede grap: ‘Maar dat moet dan wel volgende week, want we hebben nu geen tijd meer …’.

Een week later zijn de vijf studenten ruim op tijd voor hun college. Wanneer Eisinga op het bolwerk verschijnt, hebben ze zelfs zijn krukje al voor hem klaargezet. Dit is heel ongebruikelijk en Eisinga is op zijn hoede. Hij weet maar al te goed hoe dit groepje verwaande studenten over hem denkt. Voorzichtig neemt hij plaats.

Eerst blijft Eise even stil. Hij kijkt naar de heldere hemel. Dan bestudeert hij aandachtig de grond. Tenslotte begint hij op ernstige toon: Heren, vanavond mag ik mijn college beginnen met een bijzondere mededeling! Blijkbaar is de hemel vannacht gestegen. Of anders is de aarde gedaald …’.